Inspiratie

19 april 2019

Tweede kans

Als je de pech hebt om aan de drugs te raken, kan het je net zo vergaan als die man in het Bijbelverhaal Marcus 5: een pechvogel eerste klas, totdat iemand hem naar zijn naam vraagt.

Laatst was ik op bezoek bij een project voor daklozen in San José, de hoofdstad van Costa Rica. Er leven misschien wel 5.000 mensen op straat, maar het project heeft maar plaats voor 120 personen. Meestal komen er veel meer, dan worden de laatste plekjes verloot. Van de rest wordt de naam opgeschreven, dan zijn ze morgen als eerste aan de beurt. Als je onder invloed bent van drugs of drank, mag je niet naar binnen. Ook moeten er geen problemen zijn bij de controle door de politie. Je hebt dus mazzel als je naar binnen mag. Anders wordt het weer slapen op straat.
De mensen die wel kunnen overnachten, krijgen een pyjama van het opvangcentrum, zodat hun eigen kleren gewassen kunnen worden. Verschillende daklozen worden ingezet om te helpen. Een vrouw helpt om iedereen een stukje zeep en genoeg shampoo voor een douchebeurt te geven. De zakjes shampoo worden opengeknipt aangeleverd, zodat de schaar niet als wapen kan worden gebruikt. Een man is verantwoordelijk voor de deodorant. Na het douchen komen de mannen bij hem langs: één voor één de armen omhoog en een spuitje deo eronder. Anders maakt eentje alles op. De ‘chef deo’ is 32 jaar, ziet er redelijk gezond uit, aardige kerel. We vroegen hem hoe hij op straat terecht was gekomen. Iets met drugs. “Weet je,” zei hij, “dat is echt iets heel sterks, veel sterker dan dat je zin hebt in een biertje, of in seks, of in een dagje uit. Je wilt gewoon echt niks anders dan dat. De rest kan je niks meer schelen.” Op een zeker moment ging hij van zijn eigen familie stelen om drugs te kopen. Toen lag hij eruit. Hij hoefde niet meer thuis te komen.

Vreemde vogel
Met drugs kan het dus zijn dat je helemaal gek wordt als je niet op tijd wat binnen krijgt. Je wordt helemaal bezeten van dat idee. Bezeten zijn. En eruit liggen. Dat zijn dingen die je ook tegenkomt in een Bijbelverhaal. Het staat in Marcus 5, als je het wilt nalezen. Jezus komt met een bootje bij de overkant van het meer. Meteen komt er iemand aanrennen. Een vreemde vogel. Hij woont niet in een huis, slaapt niet in een bed, eet niet van een bord. Hij is daar ergens tussen de graven. Een plek die meer met dood dan met leven te maken heeft. Hoe word je zo’n vreemde vogel? Gewoon omdat je een draadje los hebt? Of omdat je iets ontzettend stoms hebt gedaan? Of omdat anderen, die alles wel voor elkaar hebben, je vreemd vinden en je eruit knikkeren?
Verschillende keren hadden de mensen geprobeerd om deze man vast te binden. Dat hielp niet, hij was zo sterk dat hij die kettingen weer kapot brak. Hij sloeg zichzelf regelmatig met stenen. Dan heb je eventjes wat minder last van de pijn van binnen. Zijn plek is ergens ver weg van de bewoonde wereld. In een schimmige wereld van doden en boze geesten. Geen leven. Geen contact. Opgesloten. Uitgesloten. Niemand bij wie je jezelf kunt zijn. Niemand die je bij je naam aanspreekt. Hooguit bijnamen. Zoals sommigen zich uitlaten over de daklozen in San José: ongedierte. Uit de samenleving met dit soort gespuis. Opsluiten. Vastbinden. Einde verhaal. De rest leefde nog lang en gelukkig, maar deze man niet.

De moeite waard
Totdat Jezus uit het bootje stapt. Die ziet hem wel staan. Die geeft hem een nieuwe kans. Die vraagt hem naar zijn naam. Die naam komt er niet vanzelf uit, het is een hele worsteling. De naam die er wel uitkomt heeft te maken met de boze geesten: “Mijn naam is Legioen, want wij zijn met velen.” Slachtoffer van een overmacht aan ellende. Wat zijn echte naam is, horen we niet in het verhaal. In de Bijbel heeft je naam direct met je identiteit te maken, met wie je bent. Dat geheim wordt niet onthuld in dit verhaal. Maar door die naam te vragen, laat Jezus zien dat hij gelooft in dat geheim: dat deze man iemand is die de moeite waard is. Iemand die je niet kunt terugbrengen tot een bijnaam en een handvol vooroordelen. Iemand waarvan er maar eentje is in de wereld. Iemand die alsnog tot bloei kan komen.
De boze geesten gaan op hun eigen verzoek uit de man naar een groep varkens, die verderop aan het wroeten is. En vervolgens stormen die varkens van de helling af het water in, 2.000 varkens. Nu wordt het toch wel een beetje een vervelend verhaal. Het was zo mooi: een man die een tweede kans krijgt, die eerst zonder kleren bij de graven rondwaarde en nu gekleed en bij zijn verstand is. Iemand die weer mee kan doen met de rest. Zoals de directeur van de daklozenopvang in San José: ooit was hij zelf een dakloze. Nu is hij afgestudeerd psycholoog en directeur. Hij weet als geen ander wat het is om op straat te leven. Had trouwens ook iets met Jezus te maken. Maar goed, waarom moeten die varkens nu naar de afgrond? Het blijft niet bij alleen maar een ontroerend verhaal, er moet ook iets opgeofferd worden. En dat is minder leuk. Het immigratiebeleid voor vreemde vogels wordt aangescherpt: aan Jezus wordt gevraagd of hij alsjeblieft weer wil verdwijnen.

Opnieuw beginnen
Terug bij af. Of, slechts op bezoek. Nee, toch niet. De man wil aan het eind graag mee met Jezus. Een schone start maken. Ergens waar mensen je verhaal niet kennen. Dan lukt het misschien wel om iets op te bouwen. En net zo gelukkig te lijken als iedereen op Facebook. Maar Jezus heeft een ander plan. Geen fake geluk ergens op een onbewoond eiland, maar echt opnieuw beginnen. Met de mensen bij wie je hoort. Hij wordt naar huis gestuurd. Naar de mensen die blij rond zijn wiegje hebben gestaan. Die later, toen hij vreemde dingen ging doen, misschien ook blij waren toen hij weg ging. Hij gaat op pad met een nieuw verhaal, een verhaal dat niet overheerst wordt door graven, doden en boze geesten. Niet de angst, maar de liefde wint het. Niet de dood, maar het leven. Pasen, al voordat Jezus is opgestaan.

Kees Geluk is geestelijk verzorger in Costa Rica

deel     deel

Spring naar toolbar