Inspiratie

7 november 2018

Luisteren, niet oordelen

Mustapha Zoubir is een van die vrijwilligers die al tientallen jaren gedetineerden bezoekt. Twee keer per jaar gaat hij alle gevangenissen van Marokko af. Over een paar dagen vertrekt hij weer.

“Dit werk doe ik omdat ik het graag doe”, zegt Mustapha Zoubir, Epafras’ geestelijk verzorger in Marokko. “Daarom houd ik het zo lang vol, al bijna twintig jaar. Ik weet nog hoe het begon. Tijdens een conferentie had ik mensen van Epafras ontmoet. Een christelijke stichting, ik ben zelf natuurlijk moslim. Maar we dachten hetzelfde. Dat was ook bij Epafras het gevoel. Toen ze niet veel later een probleem hadden met twee jonge gedetineerden in Marokko, vroegen ze of ik wilde helpen. Zodoende ging ik in 1999 samen met de toenmalige directeur Joop Spoor, voor het eerst naar Marokko.”

Mustapha is intussen bijna gepensioneerd. Niet van het vrijwilligerswerk voor Epafras, wel voor zijn ‘normale’ werk bij justitie. Daar werkt hij ook als geestelijk verzorger. Ook al weer een hele tijd. Ooit kwam hij naar Nederland voor de liefde. Hij wilde bij het Nederlandse meisje zijn dat hij in Frankrijk had ontmoet. Hij verhuisde voor haar. Ze trouwden. Zij werd arts, hij ging werken bij een grote bank. Het was rozengeur en maneschijn tot zij ziek werd en later overleed. Op zijn werk liep net in diezelfde periode ook niet alles even lekker. Het was de tijd van de grote bankenfusies. Ook de zijne ging in een enorme bank op. Hij ging op zoek naar ander werk. Zo kwam hij uiteindelijk terecht bij wat hij echt wilde: mensen helpen. “Ik had in Marokko rechten gestudeerd, in Frankrijk economie, in Nederland later nog psychologie en theologie. Dankzij die laatste twee studies kwam ik bij Justitie terecht. Eerst als maatschappelijk werker, toen als afdelingshoofd, en uiteindelijk als geestelijk verzorger. Dat ben ik inmiddels 28 jaar. Kennelijk zit ik nu op mijn plek!”

Epafras had iemand nodig die de taal sprak, en levenservaring genoeg had om met gedetineerden overweg te kunnen. Het probleem dat speelde was een zaak van de twee jonge jongens. Een zaak die haast had. “De jongens waren onschuldig. Het was een tweeling die op de verkeerde tijd op de verkeerde plaats was. Er was een dode gevallen. Zij waren toevallig in de buurt en kregen de schuld. Toen ik ze voor het eerst sprak waren ze al in grote moeilijkheden. In de gevangenis werden ze bedreigd en gepest. Geen van beiden sprak een woord Arabisch.”

Zelf oplossen
Mustapha was geknipt voor het werk bij Justitie. Hij gebruikte zijn kennis van de psychologie, en ontwikkelde wat hij noemt de agogische methode. “Het belangrijkste hiervan is dat de gedetineerden zélf met oplossingen komen voor hun problemen. Ik denk dat ieder mens het antwoord op zijn vragen weet. Ik help ze alleen onder ogen zien wat er loos is. Adviezen krijgen ze niet. Die geef ik nooit. Ik vraag niet wat ze hebben gedaan, vraag niet welk geloof ze hebben. Ik hoef niets te weten. Mijn doel is: luisteren, niet oordelen. En ja, dat is soms niet gemakkelijk. Ook niet voor mij!”

De methode bleek ook perfect te zijn voor Nederlanders die in Marokko in de gevangenis belanden. Soms komt hij in actie, als iemand diabetes heeft en medicijnen heeft bijvoorbeeld. Dan stapt hij naar de directeur. Maar bij voorkeur doet hij niets. Dat wil zeggen: hij neemt geen openlijk initiatief. Hij wacht af. Terwijl hij afwacht en luistert, bedenkt hij hoe hij die persoon het beste kan begeleiden. “Gesprekken beginnen vaak met een vraag. Niet van mij dus, maar van hen. Dat zijn meestal gewone dingen, over familie, hun strafmaat, soms ook over stress en rust. Later volgt er vanzelf meer. Ik ben geen imam. Een imam vertelt vooral wat mensen moeten, ik vraag wat iemand wil, wat het probleem is, luister en help ze te bedenken wat de oplossing is. Mijn doel is mensen onbeschadigd terug te krijgen in de maatschappij. Ik geef wat hulp, als een vader, of een leraar. Geef ze ruimte. Ik praat zo lang als nodig is. Maar ze moeten het zelf hun koers vinden. Waar het kan schakel ik de familie in.”

Dat gebeurde ook met de tweeling waarmee het allemaal begon. “We zochten contact en de familie steunde hen, wat echt hielp! In families met een Marokkaanse achtergrond ligt dat soms moeilijk. Schaamte speelt een grote rol. Het is niet het geloof, maar de traditie en de cultuur. Die zijn hardnekkig. Soms is er een muur. Willen families niets meer te maken hebben met zonen die het verkeerde pad op zijn gegaan. Vaker willen ze wél contact. Als er vergeving is komt het met de jongens vaak goed. Veel problemen van gedetineerden gaan eigenlijk over eenzaamheid. Praten is moeilijk. Terwijl het voor hen juist goed is om te praten. Problemen moeten eruit.”

Met Mustapha praten ze. Maar lang niet altijd meteen. “De Nederlanders vaak wel. Maar andere groepen, zoals de jongens met een Marokkaanse achtergrond, hebben daar meer moeite mee. Om die aan het praten te krijgen is veel, heel veel geduld nodig. Je moet eerst het vertrouwen winnen. Pas dan openen ze hun hart. Ze vertrouwen je niet snel, wat ik ook begrijp. Ze zitten in een omgeving vol wantrouwen. Ze spreken vaak de taal niet en moeten zich aanpassen aan een nieuw, hard bestaan.”

Verbeteringen
“De situatie in de Marokkaanse gevangenissen is de laatste jaren overigens wel iets aan het verbeteren. Als ik nu mijn ronde maak, zie ik plekken in de gevangenis waar de gedetineerden cursussen kunnen doen, of kunnen werken. In Marokko was het regime in de gevangenis heel lang autoritair. Nu zie je directeuren die zich ontwikkeld hebben en bewakers met begrip. Ook zijn er minder Nederlanders. Een paar jaar geleden waren het er nog 70 tot 80, nu zijn het er 37.”

Ook in Nederland ziet Mustapha veranderingen. “Aan de ene kant ben ik hoopvol. Het gaat beter. Veel jongeren met een Marokkaanse achtergrond voelen zich thuis in Nederland. Ik zie minder mensen die worstelen met twee sporen in hun ziel. Tegelijkertijd groeit de hebzucht en de ongelijkheid. Nederland is materialistisch. Jonge jongens gaan daarin mee. Ze hebben geld nodig. In de Nederlandse samenleving is er vaak niets voor ze. Stel je bent een jongen van 18, je vader heeft een bijstandsuitkering en jij komt ondanks je diploma’s niet aan de bak, wat denk je dan dat er gebeurt?” Niet zo gek, wil hij maar zeggen, als zo’n afgewezen kind dan een keer de fout ingaat. “De regering zou moeten zorgen voor werk. Of desnoods een beetje zakgeld. “

Trauma’s kunnen slijten. Het kan goedkomen met jongens die het verkeerde pad zijn opgegaan. “Net zoals trauma’s bij iedereen kunnen slijten. Die eerste tweeling in Marokko was zwaar beschadigd geraakt in de gevangenis. Maar de jongens kregen gratie en kwamen terug naar Nederland, en het gaat nu weer goed met ze, al een hele tijd. Ze zijn allebei getrouwd en hebben een baan.”

Mustapha Zoubir is geestelijk verzorger voor Epafras in Marokko

deel     deel

Spring naar toolbar